Deel 6: Kerk of gemeente, een gebouw of gewoon bij iemand thuis

Probeer je voor te stellen dat je in de eerste eeuwen van onze jaartelling in het Romeinse rijk in een grote stad wandelt en je bent op zoek naar de kerk. Je vraagt wat rond en komt tot de ontdekking dat er nergens een gebouw is waar een bepaalde naam op staat die verwijst naar het Christendom. Nee, je wordt verwezen naar een groep mensen die in een huis samenkomen om te bidden. Geen speciaal gebouw waar een gemeente zou samenkomen.
En dan hing het er ook nog van af of het een tijd was waarin de christenen vervolgd werden. Want dan moest je heel voorzichtig zijn met je vragen naar christenen waar zij samenkwamen.

God wil wonen bij mensen
Laten we beginnen bij het begin. En dat is natuurlijk bij de schepping. Nadat God de mens plaatste in de hof van Eden zien we iets wonderlijks gebeuren, het heeft alleen wat uitleg nodig: In Genesis hoofdstuk 2 vers 8 en 15 wordt over “plaatsen” gesproken. In beide verzen wordt alleen een ander woord gebruikt. In vers 8 het Hebreeuwse woord “sum” wat “nemen” en “plaatsen” betekent in vers 15 komen we woord “nuach” tegen dat “rusten” en “settelen” betekent. Daarnaast wordt in vers 8 het Hebreeuwse woord “mikedem” gebruikt dat vertaald is met “in het Oosten”. Dit woord kan echter ook vertaald worden als tijdsbepaling in de zin van: “in het verleden” of “in het allereerste begin”. Als we dan ook nog bedenken dat het Hebreeuwse woord “Eden” ook “heerlijkheid” of “vreugde” betekent dan komt daaruit het volgende:

God nam Adam en plaatste hem in het allereerste begin in Zijn heerlijkheid en vreugde (vers 8) en tegelijkertijd plaatste God hem in de hof om daar te rusten en zich te settelen (vers 15).”

Wat een geweldige gedachte dat God bij de schepping al wilde dat de mens bij Hem in zijn glorie zou wonen. In geweldige harmonie met de drieënige God mocht de mens wonen en van daaruit tegelijkertijd het werk voor God op aarde vormgeven. Aan dit concept kwam een einde aan toen de mens ongehoorzaam werd en zijn autoriteit weggaf aan de satan. Deze werd toen de overste van deze wereld. Gelukkig had God een ander plan. Zijn reddingsplan lag al klaar. Het reddingsplan voor de mens om opnieuw te wonen in Zijn aanwezigheid, in Christus. God beloofde dan ook vrij snel dat de Verlosser zou komen in de zogenaamde moederbelofte, Genesis 3:15.

De tabernakel
Vervolgens zien we in het Eerste Testament dat God aan het volk zichtbaar maakt dat Hij bij hun wilde wonen. Toen Israël bij de Sinaï was heeft Hij aan Mozes de tabernakel getoond. Een opklapbare tent waarin God wilde wonen. Hij wilde met zijn volk meegaan (Exodus 25:8). Zij moesten voor Hem een heiligdom maken, zodat Hij in hun midden kon wonen. God kon toen, vanwege hun zonden, nog niet werkelijk in de harten van zijn volk wonen en dit was “the best next thing”. God liet daarom de tabernakel bouwen en gaf aan Mozes uiterst gedetailleerde voorschriften. De tabernakel moest worden gemaakt volgens de blauwdruk geopenbaard op de berg (Ex. 26,30; Hd. 7, 44; Hebr. 8, 5).

De tempel
De geschiedenis kennend werd op den duur de tabernakel vervangen door een tempel. Maar hoe zat dat met de tempel? Hoe is die ontstaan? Dat ging als volgt: Koning David was rijk en welvarend en leefde in vrede. Hij zei tot Nathan de profeet: “Zie toch, ik verblijf in een huis van cederhout, terwijl de ark van God te midden van tentdoek verblijft.” (2 Sam. 7:2 HSV). Als de koning een koninklijk huis heeft, waarom God dan ook niet? Dat is toch logisch, erkenning van de juiste prioriteiten. Nathan was het helemaal met de koning eens, maar heel opvallend was God dat niet. Nathan moest naar koning David gaan en zeggen: “Ga en zeg tegen Mijn dienaar, tegen David: Zo zegt JHWH: Zou ú voor Mij een huis bouwen, voor Mij om in te wonen? Ik heb immers niet in een huis gewoond, van de dag af dat Ik de Israëlieten uit Egypte deed optrekken tot deze dag toe, maar Ik ben in een tent, in een tabernakel rondgetrokken. Heb Ik ooit, overal waar Ik met al de Israëlieten rondtrok, een woord gesproken tot een van de stammen van Israël, die Ik bevolen had Mijn volk Israël te weiden: Waarom bouwt u voor Mij geen huis van cederhout?” (2 Sam. 7: 5-7 (HSV)). De tempel was dus meer Davids idee en niet die van God.

Als we dit lezen dan klinkt daar door heen Gods zorg dat Hij door de tempel verder van de mensen af zou komen te staan. Zelf denk ik dan ook dat door de wisseling van tabernakel naar tempel iets moois verloren is gegaan. Voor mij staat vanuit de Bijbel de tabernakel symbool voor de Gods aanwezigheid die in het leven meereist. Volgens de Bijbel wonen wij in Jezus en woont Jezus door middel van Zijn Geest in ons. Jezus is onze Tabernakel (Johannes 14:17,23 en Openbaring 3:20). De tabernakel is het symbool van Gods tegenwoordigheid onder zijn volk en als zodanig vooral een bewegelijk symbool. De tabernakel vertegenwoordigde het dynamische karakter van God en de bewegelijkheid van Gods volk.

Een van de mooiste en diepzinnigste gedeelten in het Eerste Testament geeft een duidelijk beeld van Gods dynamiek en de menselijke afhankelijkheid:
Maar als de wolk opgeheven werd van boven de tent, braken de Israëlieten daarna op; en op de plaats waar de wolk bleef rusten, daar sloegen de Israëlieten hun kamp op.
Op het bevel van JHWH braken de Israëlieten op, en op het bevel van JHWH sloegen zij hun kamp op. Alle dagen waarop de wolk op de tabernakel bleef rusten, bleven zij in hun kamp.
Als de wolk vele dagen boven de tabernakel bleef staan, namen de Israëlieten de voorschriften van JHWH in acht en braken zij niet op.
Als het gebeurde dat de wolk maar weinig dagen op de tabernakel was, bleven zij op het bevel van JHWH in hun kamp, en op het bevel van JHWH braken zij op.
En als het gebeurde dat de wolk er vanaf de avond tot de volgende morgen was, wanneer de wolk ’s morgens opgeheven werd, dan braken zij op; overdag of ’s nachts, als de wolk opgeheven werd, braken zij op.
Of als de wolk twee dagen of een maand, of vele dagen lang op de tabernakel bleef rusten, bleven de Israëlieten in hun kamp en braken zij niet op; maar als hij opgeheven werd, braken zij op.
Op het bevel van JHWH sloegen zij hun kamp op en op het bevel van JHWH braken zij op. Zij namen de voorschriften van JHWH in acht, op het bevel van JHWH, door de dienst van Mozes. Num. 9: 17-23 (HSV).

Misschien denk je wel: natuurlijk moest de tabernakel verplaatsbaar zijn, want Gods volk was op reis. En die verplaatsbaarheid had verder geen enkele betekenis. Maar Wie liet die reis door de woestijn 40 jaren duren. Natuurlijk was het Israëls eigen schuld, maar tegelijkertijd was deze reis een voorbeeld van iedere christen die door de woestijn van het leven gaat en een pelgrim is op weg naar het eeuwige vaderland. Voor het volk Israël zich in het beloofde land kon vestigen, moesten zij leren wat voor soort God zij dienden.
Het staat JHWH vrij om onberekenbaar te zijn. Hij is altijd trouw aan zichzelf, maar niet per se aan de voorstellingen van de mens, Hij zal iets nieuws doen.
Het is geen God die zich laat opsluiten in één bepaald land, één bepaalde stad of tempel of een gebouw; Hij stijgt daar ver boven uit. De enige manier om Hem werkelijk te leren kennen, is als een rondtrekkend volk. En de tabernakel is hiervan de afspiegeling.

Zo ging het met de tabernakel. Met de tempel was het echter anders. Die stond op een fundering – permanent – en de betekenis van de tempel is dan ook heel anders. De tempel symboliseerde veel meer onze dienst aan God. Een georganiseerde godsdienst die zowel zegenrijk kon zijn, als drastisch mis kon gaan. Zolang het volk God diende was er de heerlijkheid die vanuit de tempel uitging, echter zodra de afgodsbeelden ontstonden was de verwoesting van de tempel nabij. Waar het bij de tabernakel ging om Gods verlangen om onder ons als mensen te wonen verschoof dat bij de tempel meer naar ons verlangen om God te dienen.

Het is maar de vraag of er een tempel zou zijn geweest als er geen koning was gekomen. Zo op het eerste gezicht was de keus voor een koning in Israël ook niet van God (1 Samuël 8: 4-9), ondanks dat Hij het al wel had voorzegt dat Israël een koning zou willen (Deuteronomium 17:14). In beide gevallen paste God zijn plan aan de wensen van de mens aan.
God stond toe dat de tempel gebouwd zou worden, maar niet door David. David trof de voorbereidingen en Salomo bouwde de tempel. In tegenstelling tot de tabernakel kwam de blauwdruk nu niet direct van God.

Als wij 1 Kronieken 28 lezen zien wij dat David eerst zegt dat het in zijn hart was om een huis voor God te bouwen (vers 2). In vers 6 en 10 zegt David echter dat het God is die Salomo de opdracht geeft om een huis voor Hem te bouwen en dat David het ontwerp van God heeft gekregen, vers 19. De tempel kan dan ook gezien worden als een project waar God en mens beide initiatief in namen, terwijl de tabernakel Gods initiatief was.

Terwijl Salomo bezig was de tempel te bouwen, kwam er bericht van God: “Wat dit huis betreft, dat u (let op: u en niet IK) aan het bouwen bent, als u overeenkomstig Mijn verordeningen wandelt, Mijn bepalingen houdt, al Mijn geboden in acht neemt door overeenkomstig daarmee te wandelen, dan zal ik Mijn woord, dat Ik tot uw vader David gesproken heb, aan u gestand doen. Ik zal in het midden van de Israëlieten wonen en Ik zal Mijn volk Israël niet verlaten.” (1 Koningen 6:12-13).

Hoewel de tempel niet Gods eerste plan was, eert Hij Salomo’s goede bedoelingen, en zelfs diens creativiteit. Hij zal wonen in het huis, Hij zal het verbond voortzetten, onder voorwaarde dat Salomo en zijn volk trouw zijn. Die voorwaarden zijn essentieel. Net zoals de vraag om een koning door God geaccepteerd werd maar wel kwam met een waarschuwing, zo ook nu. Blijkbaar moet de mens uitkijken voor centralisatie van macht. Een koning kan heel goed zijn zolang die koning God dient. Echter als hij zichzelf centraal stelt kan het heel snel misgaan met een heel land. De macht bij één persoon neerleggen gaat helaas vaker mis dan goed.

Na de ballingschap lezen we dat koning Cyrus de opdracht geeft om een huis voor JHWH te bouwen in Jeruzalem. Hij roept iedereen van het Joodse volk op om naar Jeruzalem te gaan. Ezra 1: 2,3.

In de komst van Jezus Christus tabernakelt God onder de mensen. Zoals Johannes van Jezus getuigde in Johannes 1:14: En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid(HSV). Letterlijk staat hier: Hij heeft onder ons getabernakeld.
Denk daarbij ook aan wat Jezus zei in Mattheüs 18: 19,20: Verder zeg Ik u dat, als twee van u op de aarde iets, wat dan ook, eenstemmig verlangen, het hun ten deel zal vallen van Mijn Vader, Die in de hemelen is. Want waar twee of drie in Mijn Naam bijeengekomen zijn, daar ben Ik in hun midden (HSV).
Als er twee of drie in zijn Naam vergaderd zijn is Hij in hun midden, dan is dat de gemeente en die hebben geen specifiek gebouw nodig. Dat kan gewoon in de huizen of op welke andere plaats dan ook.

Het is een bijzonder moment als de heilige Geest uitgestort wordt op de eerste Pinsterdag. Daar gaat in vervulling wat de profeet Jeremia geprofeteerd heeft in hoofdstuk 31 dat de Geest de Thora zal schrijven in ieders hart persoonlijk. Na de uitstorting van de heilige Geest woont Hij in de gemeente. De gemeente is zijn tempel 1 Korinthe 3: 16: Weet u niet dat u Gods tempel bent en dat de Geest van God in u woont? (HSV) Gezien het verband gaat het hier over de gemeente. Later in deze brief 1 Korinthe 6: 19: Of weet u niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is en Die u van God hebt ontvangen, en dat u niet van uzelf bent? (HSV) wordt het ook toegepast op de individuele persoon.

Als de Heilige Geest zo in en onder ons wil wonen dan is mijn vraag waarom we zo vaak kiezen voor de gemeentemodellen die controle en vastgeroestheid bevorderen. Waarom niet meer aandacht hebben voor gemeentemodellen die flexibiliteit en leven bevorderen? Persoonlijk kan me helemaal vinden in de conclusie die Snyder trekt in zijn boek het probleem van de wijnzakken. Hij stelt: dat de kerk, theologisch gesproken, in principe geen gebouwen nodig heeft, en dat wordt versterkt door het onderscheid dat we hebben gezien tussen tabernakel en tempel. We hebben Gods duidelijke voorkeur voor de tabernakel boven de tempel gezien als teken dat Hij bij zijn volk woont, want de tabernakel legt er de nadruk op dat God dynamisch is en niet statisch, dat Hij mobiel is, een God vol verrassingen. En daardoor blijkt Gods volk – de kerk – ook mobiel en flexibel te zijn – pelgrims. (blz. 57).

In de tijd van het Nieuwe Testament was het de gemeente die samenkwam in de huizen. Ecclesia (gemeente) heeft ook de betekenis van ‘er uit geroepen’ of ‘samen vergaderd zijn’. Dit is ook verwant met het Hebreeuwse woord kahal wat ook vergadering betekent. Overigens heeft het Griekse woord ‘synagogé’ ook die zelfde betekenis.

Heel interessant is wat Snyder in noot 6 zegt (en hij haalt verschillende schrijvers aan) over synagoge en ecclesia, (Het probleem van de wijnzakken. blz. 168 en 169):
Dan rijst natuurlijk de vraag: en de Joodse synagoge dan? Was dat geen gebouw? Kwamen de vroege christenen daar dan niet bijeen? Was het niet de bedoeling van Paulus dat de synagogen centra van christelijke eredienst zou worden?
De synagoge was in de eerste plaats een gemeenschap van Joden; slechts in tweede instantie ging de term een gebouw betekenen. Er waren zowel honderden synagoge gemeenschappen, als gebouwen door het hele Romeinse Keizerrijk, en daarheen ging Paulus in de eerste plaats met het evangelie. Ongetwijfeld had Paulus deze synagoge-gebouwen graag in christelijke centra zien veranderen, maar in de voorzienigheid van God gebeurde dat niet. De synagogen werden nooit christelijke kerken, voor zover wij weten, en binnen een jaar of dertig na de geboorte van de kerk zagen de christenen hoe ‘de deur van de synagoge….voor hun neus werd dichtgesmeten’ (aldus Green, in zijn boek Evangelism in the Early Church, blz. 195).

Wat Paulus plantte, waren geen gebouwen – het is opmerkelijk dat hij geen stoffelijke synagogen bouwde – maar synagoge-achtige gemeenschappen. Zoals Ralph Winter opmerkt: stichtte hij splinternieuwe synagoge-achtige gemeenschappen van gelovigen als fundamentele cel van zijn zendingsactiviteiten. De eerste structuur op het toneel van het Nieuwe Testament is dus wat vaak genoemd wordt de Nieuw Testamentische Gemeente. Deze was in wezen gebouwd naar het voorbeeld van de Joodse synagoge, en omvatte de gemeenschap van de gelovigen in elke willekeurige plaats (Ralph D. Winter: The Two Structures of God’s Redemptive Mission, Missiology, 2, No. 1 (januari 1974), 122).

Het is interessant dat de vroege christenen zich gewoonlijk de ecclesia noemden en niet de synagoge. Beide Griekse woorden kunnen vertaald worden met vergadering (Vergelijk Jakobus 2:2 waar vergadering in het Grieks synagoge is) en grammaticaal zou synagoge een geschikte naam zijn geweest voor de kerk. De voorkeur van de vroege kerk voor ecclesia duidt op een wens de christelijke gemeenschap duidelijk te onderscheiden van de Joodse synagoge. (Zie Harnack, The Mission and Expansion of Christianity, blz. 407-408).

De synagoge verschafte een nuttige brug voor het evangelie van Palestina? (vraagteken door mij CS erbij gezet) naar de rest van het Romeinse Keizerrijk en van de Joden naar de heidenen. Maar het was een burg die, wanneer hij eenmaal was overgestoken, werd achtergelaten. De jonge kerk kopieerde de synagoge als een patroon voor een gemeenschap, maar blijkbaar nooit als een gebouw.

Dezelfde Snyder trekt als conclusie dat de informele bijeenkomst aan huis van een kleine groep van 8 a 12 mensen is de beste structuur voor het verspreiden van het evangelie in de huidige ‘geseculurbaniseerde’ samenleving. Dergelijke groepen lenen zich beter voor zendingswerk in onze verstedelijkte wereld dan traditionele kerkdiensten, vaste kerkprogramma’s of massa-communicatie door de media. Uit het oogpunt van methodiek biedt de kleine groep de beste mogelijkheden om genadegaven aan het licht te brengen en te benutten voor vernieuwing binnen de kerk. (Het probleem van de wijnzakken Blz. 116).

In het eerste deel dat ik geschreven heb over “De grote uitdaging”, heb ik laten zien dat er voor het jaar 232 n. Chr de gemeente voornamelijk samenkwam in de huizen bij mensen thuis. Aan het begin kwamen ze nog wel eens bij elkaar in de tempel, maar toen dat niet meer kon werd er heel praktisch gekozen voor de huizen en de openlucht. Het werden ook geen huisgemeenten genoemd. Zij waren ´de gemeente van Christus die samenkwam”. Het is opmerkelijk dat de krachtigste gemeentegroei uit de geschiedenis tot voor kort plaats vond in de eerste eeuwen. Ik schrijf “tot voor kort”, want in China is sinds een aantal jaren een geweldige gemeentegroei aan de gang die de hiervoor genoemde gemeentegroei overtreft. Deze onvergelijkbare opwekking is er één van christenen die veel meer organisch zijn gaan denken. Niet centralistisch een gebouw en één leider, maar veel meer gedecentraliseerd: veel huizen en veel leiders.

Opvallend is dat dat ook bleek uit het onderzoek van W. Simson in zijn boek Huizen die de wereld veranderen, blz 286. Uit zijn onderzoek bleek dat de werfkracht van kleine groepen in verhouding veel groter is dan grote groepen. Waarom willen wij dan steeds maar weer grote gemeentes, waar slechts een beperkt gedeelte van de gemeente actief is? Waarom steeds maar weer de macht centraliseren tot een kleine selecte groep? Het kan goed gaan, maar de praktijk leert dat het helaas vaker verkeerd dan goed gaat. Macht in de kerk komt zo snel op en is zo verwoestend.

Opmerkelijk vind ik ook dat John Eldredge in zijn boek Als doden wakker worden Anne van der Bijl aanhaalt die zegt: “Wij zijn niet langer een organisatie; in plaats daarvan zijn we een organisme, een levend en spontaan genootschap van individuen die elkaar heel goed kennen, die heel veel om elkaar geven en die zoveel respect voor elkaar hebben dat regels en regelementen onnodig zijn. Een groep heeft de juiste omvang, denk ik, als elk lid kan bidden voor elk ander lid, persoonlijk en bij naam.” Dit zijn de woorden van Anne van der Bijl, die decennia lang Bijbels heeft gesmokkeld naar communistische landen. Eerlijk gezegd, zulke kerken vind je over de hele wereld, maar nauwelijks in de westerse wereld (blz. 206).

Durven wij het aan?
Wat zou het geweldig zijn als de kerken van vandaag gaan beseffen dat het goed is om heel de structuur te gaan herzien. Daar is durf voor nodig om terug te gaan naar Handelingen en de gemeente van Jezus Christus weer te hervormen naar het beeld zoals God het bedoeld heeft. (Of moeten we wachten tot er vervolging komt en we gedwongen zijn op die manier weer in de huizen samen te komen.)
Natuurlijk kunnen er alsnog grote samenkomsten zijn. Als we de huisgemeenten zien als gezin dan is het mogelijk om in een plaats(stad) maandelijks(2 maandelijks), zolang dat nog mogelijk is een familiebijeenkomst te houden. Dan huren we een sporthal en vragen goede aanbiddingsleiders om de lofprijs/aanbidding te leiden. Daar kan ook een plaats zijn voor voorbede. Heeft Jezus niet zelf gezegd: ‘het huis van mijn Vader zal een huis van gebed zijn’. (Mattheüs 21, 13). En het onderwijs mag plaats vinden in de kleine groep in de huizen. Herstel de vijfvoudige bediening in de gemeente van Jezus Christus. (Efese 4,11).

Misschien vinden sommigen het allemaal wat kort door de bocht en vragen zich af: ‘hoe zit het met leiding, enz.’ Daar geeft Floyd McClung antwoord op in zijn boek Ik zie een leger. Hij zegt: Theologen hebben ‘kerk’ veel te ingewikkeld gemaakt. De Bijbel houdt het bij een eenvoudige definitie, omdat God wil dat iedereen er deel van kan zijn. Jezus kwam niet alleen om voor onze zonden te sterven, maar ook om gewone mensen de kerk terug te geven. Daarom bestempelde Hij ons allemaal tot potentiële leiders in de kerk. Je hoeft niet eerst vier jaar bijbelschool te hebben voordat je een leider in de kerk kunt zijn. in feite gaf Jezus leiderschap een heel nieuwe betekenis, toen Hij het koppelde aan dienaar zijn. als leiders dienaren zijn, is iedereen die Gods volk met zijn gaven dient een leider. Blz. 49.

Is het niet prachtig om te zien dat de eerste huisgemeente in Europa geleid werd door een vrouw: Lydia. Zij was net onder de prediking van Paulus tot geloof gekomen en in haar huis ontstond een gemeente.

De beste definitie voor gemeente (kerk) is die van Jezus zelf, Mattheüs 18,20:
‘want waar twee of drie mensen in mijn Naam samen zijn, ben Ik in hun midden’.

Wellicht moeten we gewoon het woord ‘kerk’ (dit woord komt zo wie zo niet voor in het Nieuwe Testament) gaan schrappen en in het vervolg over gemeente gaan spreken. Je behoort tot de gemeente van Jezus Christus in die en die plaats.

(c) A.C. Snijders, Ede, 2017


Deel 7a: De man-vrouw verhouding in Bijbels perspectief