Deel 4: Het priesterschap van alle gelovigen

Het priesterschap van alle gelovigen, daar wil ik het met jullie over hebben. In mijn vorige artikel heb ik geschreven over Joods-Hebreeuws denken tegenover het Grieks-Romeins denken. Nu wil ik daar op voortborduren. Het Griekse denken heeft er namelijk voor gezorgd dat er een scheiding is ontstaan in de kerk tussen de clerus (leiding van de kerk) en de leken (de ‘gewone’ gelovigen). De ‘priesters’ waren literair geschoold, zij hadden gestudeerd en de leken waren de leden van de kerk, die vaak niet geschoold waren en daarom alleen maar hoefden te luisteren. Ook na de Reformatie bleef deze afstand tussen de predikanten (zij hadden een academische opleiding) en de overige mensen in de gemeente.

Iedere christen is een priester, koning en profeet
De Bijbel daarentegen laat duidelijk zien dat iedere wedergeboren christen een priester, een koning en een profeet is. De naam christen geeft aan dat je bij Christus hoort, van Christus bent. De titel Christus (= Grieks) betekent Gezalfde (in het Hebreeuws Messias). Wij hebben deel aan de zalving van Jezus Christus. Hij is onze Priester, Koning en Profeet en Hij woont in ons. Wij delen daardoor in Zijn roeping. Dit betekent dat wij zegenen, bidden en offeren (1 Petrus 3:9, 1 Timotheüs 2:1-4 en Romeinen 12:1). Als koning mogen wij heersen over onszelf (dus niet over onze naasten), over de schepping en over de demonische machten. Als profeet, zijn wij getuigen en spreken opbouwend met onze naasten en bemoedigen we hen. We ontvangen dromen en visioenen voor de mensen om ons heen en voor de samenleving.

Terecht stelt Hendriks in zijn boek “Een kerk naar Gods hart” dat het priesterschap van de gelovigen ondergesneeuwd is in de loop van de eeuwen. Hij schrijft: “Het wezenlijke van deze aanvulling gaat over het verloop van de geschiedenis betreffende het algemeen priesterschap van de kerkleden. Voor zover ik kan nagaan is er onvoldoende aandacht gegeven aan het verband tussen het niveau van een functioneel priesterschap en het niveau van de geestelijke gezondheid van de kerk. Door het verloop van de geschiedenis van het priesterschap van alle gelovigen te kennen worden we ons ervan bewust dat de kwaliteit van de geestelijke gezondheid van de kerk grotendeels bepaald wordt door de kwaliteit van de functionaliteit van het algemeen priesterschap.”[1] Priesterschap van alle gelovigen doet er toe, maar wat houdt dit priesterschap in?

De opdracht om volken te discipelen
God is heel duidelijk naar Israël als Hij in Exodus 19:6 stelt dat Israël het priesterschap kreeg om God te vertegenwoordigen bij de volken en andersom. Het volk dat Hij uit de slavernij gered heeft zal Hem vertegenwoordigen bij de volken. Zij zijn een koninkrijk van priesters. Dat heeft God meermalen bevestigd aan het volk Israël. Bijvoorbeeld in Jesaja 61:6. De opdracht om verzoening te weeg te brengen tussen God en de volken heeft Israël op z’n zachtst gezegd behoorlijk laten liggen. Tot aan de komst van Jezus blijft dit liggen. Jezus vervult als vertegenwoordiger van Zijn volk deze opdracht volledig. Door Zijn kruis en opstanding bewerkte Hij de verzoening met God voor alle volken.

Nu heeft de gemeente de taak om een koninkrijk van priesters te zijn voor heel de wereld. Petrus is daar in zijn eerste brief, hoofdstuk 2 vers 9, heel duidelijk over. Dit gedeelte uit de Petrus brief sluit aan bij de grote opdracht die wij als gemeente van Jezus Christus hebben om al de volken tot zijn discipelen te maken.

Israël tot jaloersheid verwekken
Een tweede aspect aan dit priesterschap is onze opdracht om het volk Israël tot jaloersheid te wekken, Romeinen 11:11. Dat de christenen uit de heidenen deze taak zouden krijgen werd al voorzegt in het Eerste Testament, zie Deuteronomium 32:21. Beseffen wij dat God ons, de christenen uit de heidenen, wil gebruiken om Israël weer terug te brengen bij Hem, bij JHWH hun God? Hoe kunnen we er zijn voor het volk Israël? In ieder geval door voor hen te bidden en hen te zegenen.
Helaas laten wij het als gemeente vaak afweten als het gaat om onze opdrachten. Soms doordat we onze opdracht niet helder genoeg voor ogen hebben, soms door een gebrek aan geloof. De opdracht werd al gegeven door Mozes in Deuteronomium 32. Het is waar dat God zegt dat Hij het zal doen en Hij doet het ook. God werkt echter vrijwel altijd door mensen heen. Hij zoekt altijd naar gewillig vaatwerk. Als ik daar over nadenk dan maakt dat mij heel klein, en nederig. De Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde wil gebruik maken van stof zoals ik ben en wij overigens allemaal zijn. Wij kunnen Hem niet anders bieden dan onze zonden. Hij komt en reinigt ons. Hij komt en geeft ons gaven. Hij bekwaamt ons. Op het moment dat we onze voeten in het water zetten en onze handen aan de ploeg slaan, wil Hij ons helpen. Wij mogen aan de slag gaan met dat kleine beetje dat wij begrijpen.

Afhankelijkheid belangrijker dan opleiding
We hoeven niet alles ineens te begrijpen voordat we aan de slag gaan. We hebben niet alle kennis en inzicht in één keer. Voor God geeft dat niet, Hij herkent een oprecht hart. Ik kom met al mijn beperkingen, ik kom met mijn 2 visjes en 5 broodjes en Jezus zegent dat. Als we bereid zijn om zo te komen, dan ziet God ons van ver komen. God toont aan ons zijn grote gunst. De hemel gaat dan open. Denk eens hierover na en zeg: “Dit wil ik met U doen Vader, ik wil met U starten en heel serieus voor U gaan” en verwacht dan Gods instructie. (Even een harte kreet van mij).

Ons priesterschap en koningschap komt voort uit afhankelijkheid en relatie met Jezus en is dus niet in eerste instantie afhankelijk van de scholing die wij hebben gehad (zie ook: 1 Johannes 2 vers 27). In de loop van de kerkgeschiedenis is dit verschil wel gegroeid. Er is een afstand gekomen tussen degenen die gestudeerd hebben en degene die dat niet hebben. De laatsten worden dan de leken genoemd en worden ook onmondig gehouden. Dit onmondig houden uit zich in de onkunde die er gegroeid is bij de “gewone kerkmens”.

De kleine groep als oplossing
Terecht stelt Hendriks de vraag: “Wat kunnen we zeggen over de kerk, met de dominee op een voetstuk die als solist de kerkdienst leidde; is de samenleving op een positieve manier beïnvloed en ondervond men liefde die uitgedragen werd door de kerk?”[2] Na deze vraag stelt Hendriks dat het belangrijk is dat er een grotere betrokkenheid en deelname en bijdrage van de kerkleden zou moeten zijn.

Bijbels gezien heeft iedere wedergeboren christen gaven van de Geest ontvangen en mag daar gebruik van maken. Ook dit is eeuwen lang in verschillende kerken ontkent. Men stelde (stelt) dat die gaven van de heilige Geest er niet meer zijn. Die waren beschikbaar in de apostolische tijd. Alleen in de beginfase van de kerk, toen de 12 apostelen nog leefden. Zelfs de grote mannen van de Reformatie, zoals Calvijn hebben dat gezegd.

Niets is minder waar. Ook vandaag zijn de gaven van de Geest beschikbaar voor iedere wedergeboren christen. Wat ik wel merk is dat christenen die dat aan het ontdekken zijn er nog heel veel vragen over hebben. [3] Hendriks voert vervolgens in hoofdstuk 5 van zijn boek een pleidooi voor het herstel van het priesterschap van alle gelovigen. Opmerkelijk dat hij dan zegt: “De kritieke vraag die nu naar voren komt is hoe een dergelijk herstel werkelijkheid kan worden. Het antwoord daarop is dat door deelname van kerkleden in kleine groepen we de beste kans hebben om dit herstel tot werkelijkheid te maken.”[4]

Faciliterend leiderschap
Na deze prachtige conclusie dat kleine groepen in de gemeente essentieel zijn voor het herstel van het priesterschap van alle gelovigen, vind ik het persoonlijk erg jammer dat Hendriks probeert vast te houden aan de institutionele kant van de kerk. Mijn ideaal zie ik veel meer in regelmatige bijeenkomsten van de gemeente in het klein, de zogenaamde huisgemeenten. Samenkomsten die ruimte geven aan ieder lid. Mensen die in kleinere setting bij elkaar komen om het Lichaam van Christus op te bouwen (zie: Efeze 3:16-21, 4:11-15,). Zie ook het gedeelte wat ik geschreven heb in deel 2 over de huisgemeente in de praktijk. Het beeld van leiderschap wat daar geschetst wordt is meer begeleidend en toerustend in plaats van ‘van bovenaf’.

De Bijbel ontkent leiderschap niet, echter elke leider moet wel beseffen dat hij of zij niet het hoofd is, dat is Christus. Ik zie het als onze uitdaging om als gemeente Jezus weer meer die plaats te geven. Ik heb het idee dat in de tijd van het Nieuwe Testament de invulling van de dienst veel meer werd bepaald door de directe leiding van Jezus. Naar mijn idee kreeg Christus de allerhoogste plaats, was Hij het centrum van het samenkomen. Hij bepaalde de agenda en regisseerde wat er plaats vond door Zijn Heilige Geest. De indruk die ik vanuit de Bijbel krijg is dat in die samenkomsten de Here Jezus vrij was om te spreken door wie Hij wilde en via de bekwaamheid die Hij op dat moment het best vond passen.

Flexibele spontane samenkomsten
Mijn verlangen is dan ook naar bijeenkomsten die een flexibele spontaniteit uit ademen. Samenkomsten onder leiding van de Heilige Geest. De Heilige Geest had in de gemeente in Korinthe de vrijheid om te bewegen door elk lid van het Lichaam heen, op de manier zoals Hij wilde (1 Korinthe 14:26-31). Sommige mensen verwachten dan chaos maar als wij Gods principes handhaven zal dit alles op een ordelijk manier verlopen (Zie ook 1 Korinthe 14:31-33).

Wat houdt het priesterschap van alle gelovigen nog meer in? De Hebreeënbrief schrijver toont uitvoerig aan dat gemeenschappelijke betrokkenheid in het Lichaam van Christus van levensbelang is voor de geestelijke opbouw van ieder lid. Hij leert ons dat onderlinge bemoediging het Goddelijk tegengif is dat afval voorkomt, de Goddelijke vereiste die voor volharding zorgt en het Goddelijke middel om het individuele geestelijke leven tot ontwikkeling te brengen (Hebreeën 3:12-13). Ook leert de schrijver van deze brief dat onderlinge bemoediging het hoofddoel is van de samenkomst [5]. Onderlinge bemoediging als het door God gegeven preventieve middel tegen bewust zondigen. De gelovigen kwamen naar de gemeenten om iets te brengen en niet in de eerste plaats om iets te ontvangen. Christus wordt aanschouwd wanneer ieder lid van een plaatselijk gemeente in de samenkomst functioneert (Zie ook Romeinen 12:1-8). Ik krijg de indruk dat niet de preek maar de ontmoeting van gelovigen die elkaar aanvuren en bemoedigen centraal stond.

Dit priesterschap van alle gelovigen vind ook zijn uitwerking in het gezin. Ook dit is naar mijn beleving nog onderbelicht in onze huidige samenleving. Hoe kunnen we Gods Woord centraal zetten in onze gezinnen? Daarover wil ik een volgende keer het één en ander schrijven.

(c) A.C. Snijders, Ede, 2017


[1] Hendriks, P.L. “Een kerk naar Gods hart.” Pag. 11.
[2] Hendriks, P.L. “Een kerk naar Gods hart.” Pag. 103.
[3] Om maar bij dat zelfde boekje van Hendriks te blijven. Hendriks weet geen verschil te maken tussen de gaven van de Geest , de bedieningen in de gemeenten en de talenten die God heeft gegeven. (Hendriks, P.L. “Een kerk naar Gods hart.” Pag. 102.)
[4] Hendriks, P.L. “Een kerk naar Gods hart.” Pag. 118. Op bladzijde 129 van zijn boek zegt Hendriks dat juist in de kleine groepen de volgende zaken tot zijn recht komen, namelijk: Persoonlijke verrijking, onderlinge zorg, geestelijke gaven en dienstbetoon. Deze vier doeleinden van kleine groepen worden gevolgd door drie andere belangrijke doeleinden: volgelingschap, evangelisatie en invloed op de samenleving.
[5] Let op het woordje ‘elkaar’ in Hebreeën 10: 24-25.


Deel 5: Het belang van priesterschap in het gezin