Deel 3: Het belang van het Joods denken voor de huisgemeenten

Het belang van Joods-Hebreeuws denken versus het Grieks-Romeinse gedachtengoed is een thema welke je misschien niet gelijk verwacht als we ons bezinnen rondom ‘huisgemeenten’. Echter als je dit leest zal je gaandeweg ontdekken dat het er wezenlijk toe doet hoe je denkt en vanuit welke cultuur je denkt.

Het is goed om te ontdekken hoe wij denken en hoe ons denken tot stand gekomen is. Hoe bekend zijn wij met het verschil tussen bovenstaande denkwijzen? Weten wij welke cultuur het denken binnen onze christelijke kerken heeft bepaald? De vroege kerk heeft zich af gezet tegen het Joodse volk, tegen Israël en dat heeft veel negatieve invloed gehad. Volgens velen is al snel de gedachte opgekomen dat de kerk de plaats van Israël in moest nemen. Paulus doelde daar al op in de Romeinenbrief. Lees maar eens de hoofdstukken 9-11 waar hij dit uitgebreid beschrijft.

De gemeenten te Rome bestond voor een groot deel uit christenen met een heidense achtergrond. De Joden waren rond het jaar 52 door keizer Claudius uit Rome verdreven. Aquila en Priscilla zijn daar voorbeelden van (zie: Handelingen 18:2). Het is zeer waarschijnlijk dat in de gemeenten te Rome de vraag speelde: Wat is de positie van de Joden? Deze vraag stelt Paulus in ieder geval wel in de Romeinenbrief hoofdstuk 3:1: “Wat heeft de Jood dan voor op anderen? Of wat is voordeel van besneden te zijn?” Het antwoord van Paulus op die vraag is dat aan hen de woorden van God zijn toevertrouwd. In hoofdstuk 9 van zijn brief pakt hij de draad weer op en gaat dit verder uitwerken. Lees gerust de prachtige hoofdstukken 9 t/m 11.

Goed, ik ga geen Bijbelstudie geven over deze hoofdstukken. Iets wat overigens zeer de moeite waard zou zijn en ook zeker verhelderd zou werken voor het denken over de positie van Israël in deze tijd. God heeft nog altijd een prachtig plan met dit volk en daar staan we naar mijn mening nog veel te weinig bij stil in onze kerken en gemeenten.

De jonge kerk, die vanaf de eerste eeuw buiten Israël groeide stond midden in een cultuur die niet Joods was en dat was natuurlijk best moeilijk. Ga maar eens in een dominante cultuur het Hebreeuwse gedachtengoed vormgeven. Voor de christenen uit de Joden was dit misschien nog enigszins te doen, maar voor de niet-Joodse christenen uit de volken rondom was dit vaak een onbegonnen zaak. Daar komt nog bij dat, vanaf 70 na Chr., Israël sterk in verval raakte. De tempel in Jeruzalem was verwoest en Israël werd als natie verstrooid over de volken. De christenen in Jeruzalem hadden hun stad niet mee verdedigd maar waren naar de bergen gevlucht. Door deze daad was de kloof bijna onoverbrugbaar geworden.

Buiten Israël was de wereld al eeuwen onder invloed van het Griekse wereldrijk geweest en hadden filosofen als Plato, Socrates en Aristoteles een sterke invloed op de maatschappij en het denken van die tijd. Paulus waarschuwde de lokale gemeenten in Turkije, Griekenland en Italië. Paulus was een briljant Hebreeuws denker. Hij zag tijdens zijn reizen heel duidelijk verschil tussen het Joodse en het Griekse denken. Hij waarschuwde herhaaldelijk tegen verkeerde filosofie, zie bijvoorbeeld Kolossen 2:21 en volgende verzen. Het Hebreeuwse denken wat we o.a. in het Eerste Testament (Ik spreek liever over Eerste Testament, omdat men in de eerste eeuwen over Oude Testament ging spreken alsof dit eerste deel van de Bijbel had afgedaan) tegenkomen was dusdanig afwijkend, dat steeds de vraag naar voren kwam: Hoe kan men maatschappelijk acceptabel en relevant blijven als men zich niet wilde verweven met dat Grieks-Romeinse denken.

Een vergelijkbaar dilemma zien we tegenwoordig ook. Gaan we als christenen mee in het postmodernisme of blijven denken en handelen vanuit het Bijbelse gedachtengoed. En als je voor het laatste kiest hoe vertaal je dan Bijbelse principes zodat ze begrijpelijk zijn voor onze postmoderne medemens. Willen we dit goed doen dan is de uitdaging om opnieuw ons goed te verdiepen in het Hebreeuws-Joodse denken, zodat wij ons geloof ook helder uit kunnen leggen aan de postmoderne mens.

De neiging om ‘geloof aan te passen’ is al heel oud. Een duidelijk voorbeeld is Philo, een Jood die in Alexandrië (Egypte) leefde. Hij was Grieks geschoold, zoals bijna alle Joden die in Egypte leefden. Hij wilde zijn Joods-religieuze achtergrond in lijn brengen met zijn Grieks-filosofische denkpatronen. Volgens hem waren de boeken van Mozes pas goed te begrijpen als de ‘geestelijke betekenissen’ en niet de feitelijke verhalen werden onderzocht. Daarmee werd hij de grondlegger van de allegorese (= het vergeestelijken van de Bijbelse verhalen). De gewone burgers konden de achterliggende betekenis van de feitelijke Bijbelverhalen niet begrijpen, maar de echt spirituele mens kon dat wel. Origenes, een van de vroege ‘kerkvaders’ uit de 2e eeuw, zette dit denken voort en hij maakte de allegorese tot de dominante manier van Bijbelinterpretatie.

In het Griekse denken stond het dualisme (scheiding tussen het geestelijke en het lichamelijke) centraal. Dat is iets wat in alle verbanden doorwerkte. Je ziet dat bijvoorbeeld bij de kerkvader Augustinus in zijn boek ‘de stad van God’. Het leven op aarde is onbelangrijk, het gaat om het hemelse. Dit dualisme uitte zich op alle terreinen van het leven. De hemel tegenover de aarde, heilig werk tegenover dagelijks werk, priesters tegenover het gewone volk, kerk tegenover huis, het bovennatuurlijke tegenover het natuurlijke. En zo kan ik nog even doorgaan.

De Joodse en Bijbelse manier van denken kent geen scheiding tussen een lichamelijke en geestelijke component. Er is eenheid tussen geest, ziel, en lichaam, hoewel ze elkaar wel onderling beïnvloeden. In deze gedachte richt de mens zich op God met geheel zijn hart en ziel en verstand (Mattheüs 22:37). De gelovige wordt opgeroepen om zijn lichaam tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer in dienst van God te stellen (Romeinen 12:2). Nergens staat dat dit op een ascetische manier moet gebeuren. Door ascetisme wordt aan het lichaam de nodige verzorging onthouden als uiting van nederigheid. Sommigen gingen zo ver dat ze zichzelf kastijden. Natuurlijk wordt er in de Bijbel gesproken over bidden en vasten, maar daarbij wordt het lichaam niet als iets minderwaardigs gezien.

Het Griekse denken stelt de mens centraal, terwijl de Bijbel (het Joodse denken) God als het centrum van het leven van de mens ziet. De Griek denkt dat we het beeld van God logisch-analytisch moeten ‘afleiden’ vanuit ons denken, terwijl de Jood weet dat we God alleen kunnen begrijpen door geloof en het eerbiedig omgaan met Zijn openbaring, de Bijbel. God moet zichzelf uitleggen en de mens moet luisteren.

Het grootste kenmerkende verschil is dat de Griek ernaar streeft om zoveel mogelijk over God te weten, terwijl de Jood God wil kennen in alle aspecten van zijn of haar leven. De Griek zal willen filosoferen en de Jood zal het geloof willen gaan uitwerken in het doen, want juist door het doen volgt het leren kennen.

Na 70 n. Chr. kwamen de Joden in de verstrooiing (de diaspora) terecht. Van lieverlee werd de Katholieke kerk de Rooms-Katholiek. De strijd binnen de kerk werd voor eeuwen beslist in het voordeel van het Griekse denken. De toegewijde ascetische ‘kerkvaders’ ontzegden zich de aardse genoegens en negeerden het lichamelijke. De Bijbel werd ‘een boek vol beeldspraak’ en Israël als volk dat had afgedaan. Israël werd vergeestelijkt tot de kerk. De kerk als het enige volk van God met geen enkele toekomst meer voor Israël. De vervangingstheologie die in de eerste eeuw al vorm had gekregen werd duidelijk erkend in bijna heel de christenheid.

Er kwam een groot verschil tussen het gewone volk, dat vaak in armoede leefde en de zogenaamde Clerus (kerkelijke leiders). Gedurende vele eeuwen was de Bijbel niet beschikbaar in de gewone volkstalen en het was ook niet nodig voor het gewone volk om de Bijbel te begrijpen. De kerk was de bemiddelaar tussen God en mensen.

De meeste Joden waren daarentegen wel op jonge leeftijd geletterd en geschoold. Zij beschikten bovendien over de ‘Tenach’ (dat wat wij meestal het Oude Testament noemen) in hun moedertaal en werden aangemoedigd al heel vroeg deze woorden te bestuderen en te overdenken. Waar de kerk koos voor een Griekse theater opstelling, waarin het volk luisterde naar de geleerden op het podium, discussieerden de Joden er driftig op los om, al studerend vragen aan de Schrift en aan elkaar te stellen en antwoorden te vinden.

Keizer Constantijn had de christenen geboden om alleen nog in de kerk samen te komen. De kerk was immers heilig, het huis waar je woonde niet. De Joodse rabbijnen gingen hier heel anders mee om. Zij hadden ook de huizen – naast de synagoge – tot heilige plaatsen verklaard, nadat de tempel in Jeruzalem was verwoest. Er was bij hen geen scheiding tussen synagoge en thuis, tussen lichamelijk en geestelijk. Het huis van de Jood werd gezien als een huis van gebed, een huis van studie, een huis van samenkomst, maar ook een huis om te eten en te drinken, om lief te hebben en te slapen. Daarbij denk ik aan Deuteronomium 6 vanaf vers 4. Wij als ouders krijgen de opdracht om de woorden van God onze kinderen in te scherpen als we thuis zijn en onderweg zijn. Als we naar bed gaan en als we opstaan. Dus bij wijze van spreken 24 uur per dag.

Er kan nog veel meer gezegd worden over het grote verschil tussen Joods-Hebreeuwse en Grieks-Romeinse denken. En als je om je heen kijkt zie je nog steeds de invloed van de Grieks Romeinse cultuur in de kerken en gemeenten. Iets wat ook niet zomaar verandert is. Wat we wel kunnen doen is terug gaan naar de Joodse wortels en vandaaruit kijken naar wat het priesterschap van alle gelovigen en de godsdienstige opvoeding van onze kinderen inhoudt. Dit wil ik doen in mijn komende artikelen.

(c) A.C. Snijders, Ede, 2017


Deel 4: Het priesterschap van alle gelovigen